Vakantiefietstocht in het Zwarte
Woud
Lepetitgris
Het Zwarte Woud – Seelbach – stond op het programma deze zomer. Terwijl het hier
nu aan het regenen is denk ik dat we met het weer nog veel geluk gehad hebben.
Regen bij het gaan en regen bij het terugkeren maar tussenin droge tot mooie
dagen.
Voor Claire was het vooral een prettig weerzien van mensen met
wie ze een hartelijke band gesmeed had destijds – dat is ondertussen al meer
dan 5 jaar geleden.
Seelbach is geen dorpje, een heuse ‘gemeinde’, en ligt zoals vele andere in het dal van een
rivier die langs vele kronkelingen het water van de bergen naar de Rijn voert.
We zitten aan de voet van de bergketen en dus nog op geringe hoogte.
We doen elke dag
een uitstap. Ik vertrek met de fiets en we spreken af op een bepaalde plaats
waar Claire en Christel met de auto naartoe trekken.
Hup met de beentjes: fietsen in het Zwarte
Woud
De eerste afspraak
is Gutach alwaar een openluchtmuseum (een soort
Bokrijk van het Zwarte Woud) te bezoeken is.
Ik stel mijn GPS
in op “fiets” en “kortste weg”. Van bij de Kerk van Seelbach
stuurt hij mij het veld in, eerst nog een asfaltweg maar zeer stijl, en na
minder dan een kilometer overgaand op een grindweg. Ik zie voor mij alleen
weiden en bos en ik ken nog niets van de streek. Mijn GPS blijkbaar wel, ook
alle fietspaden, maar ik vertrouw het niet: wat wordt dit in het bos?? Ik vrees dat het een mountainbike parcours is en keer met
een gevoel van onzekerheid terug naar de grote weg. Een GPS is hardnekkig dus
stuurt hij me terug richting bos maar hetzelfde scenario herhaalt zich. Na drie
keer bedenk ik mij en stel opnieuw in: “auto” en “kortste weg”. Zo ben ik zeker
dat ik op goed bereidbare paden terechtkom.
Het is al warm en
mijn shirt is al nat van het zweet: de hellingen zijn zeer steil. Maar nu rijd
ik op asfalt en heb er opnieuw vertrouwen in. Het zonnepaneel doet zijn werk,
de batterij zal niet plat vallen, wat ben ik blij met mijn aanwinst.
Ik rij langs oude boerderijen en
daartussen vakantiewoningen. Vooral de boerderijen hebben die typische stoere
Zwarte Woudstijl: volledig of vanaf een zekere hoogte in het hout, ver
overhangend dak, zowel tegen de zon als tegen de regen en het typische balkon.
Als je dichtbij komt ben je onder de indruk van het bouwwerk: meestal drie
verdiepingen, tegen de helling gebouwd: de heuvel zorgt op die manier voor
stabiliteit en je rijdt met de wagen de hooizolder in langs de achterkant.
Stallingen en huis vormen een gebouw. Soms loopt de weg gewoon tussen het huis
met stalling en een schuur. Moderne boerderijen hebben vaak een dak met
zonnepanelen, en geen kleine oppervlaktes!!! De streek
komt mij nog “groener” over dan ik al dacht. Chapeau
voor de Duitsers, ze staan op het vlak van ecologie voor.
Ik sta versteld
van de wirwar van straatjes en wegeltjes. Als het omhoog gaat is het altijd
serieus klimmen en het zweet drupt van mijn kin op het scherm van de GPS. De weg kronkelt dat het geen naam heeft. De
GPS stuurt me van hier naar ginder en zelfs terug…tot hij niets meer doet. Het
dringt tot me door dat het zweetvocht in het touch-screen
binnengedrongen is en de elektronica in de war geslagen is. Gedaan met navigeren,
ik ben zwaar teleurgesteld.
Ik rijd terug naar
de grote weg en besluit op mijn gevoel verder te rijden langs de ‘normale’ weg,
een zeer ruwe schets van de wegen zit in mijn hoofd.
De weg volgt het
Schuttertal, het gaat dus omhoog maar niet zo steil. Een wielertoerist op koersfiets blijft in mijn wiel tot aan Zweighausen.
Ik vraag me af hoe dat komt maar later zal ik het beter begrijpen: het vervolg
van die klim is nog lang en véél steiler. Het verhaaltje is nog langer omdat ik
door een vergissing (ik vroeg de weg naar Gubach ipv Gutach) het eerste deel van
die beklimming 2 keer gedaan heb. Tijdens die klim moest ik van de fiets: geen
kracht meer, meer van frustratie dan wat anders, denk ik.
Als we in Steinach mekaar vinden, kan ik
eerst bijna niet eten van miserie. Maar dat gaat rap over. Het bezoek van het
openluchtmuseum is een goede manier om de streek te leren kennen. Het weer is
goed, het is er niet al te druk.
Zo’n oude hoeve van binnenuit bekijken is zeer
indrukwekkend.
Triberg
Ik moet het verder
zonder GPS stellen en dus bereid ik me beter voor en neem de kaart mee. Triberg
ligt hoog (+- 1000 m). Ik wil kost wat kost zo’n
bergrug langs de binnenwegen op en weer af rijden om ook het niet toeristische
van de streek te zien. Voor de 3e keer klim ik langs de gewone weg
naar Zweighausen – onderweg ontmoet ik een koppel
ooievaars, rustig wandelend in een wei -, en dan sla ik af. Tot mijn
verwondering blijf ik op asfalt rijden maar het is zeer steil. Ik gebied mezelf
goed te doseren, middelste plaat vooraan – de grootste kroontjes achteraan. Af
en toe kan ik eens ‘rusten’ op een minder steil stuk. Ik sta ervan te kijken
hoeveel mensen er nog op die afgelegen gebieden wonen: boeren en houtvesters.
Voor de zekerheid vraag ik de weg aan mensen die in hun tuin aan het werken
zijn. Ze denken dat ik al hun Duits versta en leggen mij alle mogelijkheden uit
maar ik weet wat ik moet weten. De weg gaat nu over op grind met putten en
keien het bos in. Dat is altijd avontuurlijk want rondkijken en u oriënteren is
er niet meer bij. Hier en daar is er een aanduiding maar ze zijn karig geweest
met pijltjes. Het is nu echt mountainbike parcours en ik moet naar mijn
kleinste plaat vooraan; als ik niet voldoende voorover leun steigert mijn fiets
en af en toe patineert mijn achterwiel op een kei maar ik ga voor mijn kop niet
van die fiets af! En ja, het lukt. Ik merk aan de bomen dat ik op de rug van de
berg rijd en het wordt minder steil. Naar beneden rijden op grind en keien
vraagt evenveel concentratie als erop rijden. Ik bereik vrij snel de bosrand en
krijg een prachtig panorama. Er staan geen wegwijzers, tenzij naar gehuchtjes
die niet eens op mijn kaart staan, ik oriënteer me op de zon in de zekerheid
dat ik wel ergens op de grote weg terechtkom. Die grote weg daalt verder naar
het rivierdal en ik haal hier 37 tot 40 per uur.
’t Is dan wel rap gedaan met de leute, van
daar blijft de weg klimmen tot aan Schönberg, 20 km
lang, gelukkig maar af en toe eens steil. Boven op die berg staat een machtige
windturbine te molenwieken dat het een lust is. Het is warm, mijn drinken is
op.
We vinden mekaar op afgesproken tijd aan de kerk van Triberg – als er
geen 2 kerken waren zou de afspraak nog perfecter geweest zijn.
Terugtocht
Ik ga terug naar
huis met de fiets. Het is donderdagmorgen en zaterdagmiddag wil ik in Aarlen de
trein nemen naar huis. Ik zal slapen in de jeugdherberg van Phalsbourg
en Schengen, op het 3-landenpunt Frankrijk, Duistsland, Luxenburg. Totale
afstand: iets meer dan 300 km.
Het Rijndal
Het weer is goed en
het is redelijk rustig op de weg richting Rijn. Ik zak eerst nog wat naar het
zuiden om meer in het platteland te kunnen fietsen en meer van de Elzas in Frankrijk te kunnen zien. Ik passeer een soort
pretpark met ernaast een enorm park zonnepanelen op stellingen in de wei. Nog
maar eens een bewijs dat ze het hier menen met de groene energie.
Ik kom aan de Rijn
maar zie geen brug. Geen probleem, je rijdt gewoon de veerboot op en die brengt
je in 1 minuut naar de overkant. Ik moest niet eens wachten.
Het is markt aan
de overkant en dat is ideaal om wat voorraad in te slaan: fruit en drank
vooral.
Ik ben in het
Rijndal en voor mij zie ik de Vogezen opdoemen. De streek is groen van weiden,
bos en wijngaarden. De mensen kennen ook hier iets van bloemen maar de huizen
zijn kleiner, veel vakwerk en er wordt hier meer geverfd. Felle kleuren zijn
in.
Kerken zijn
opgetrokken in strakke lijnen met dezelfde rood-bruin
getinte zandsteen zoals in het Zwarte Woud.
Op de middag rust
ik uit in de lommerte van
een kapel met kerkhof. Het is er zalig stil en ik neem mijn tijd. Meergranenbrood met pitten en Zwarte Woudworst met nog een
lapje kaas erop: meer moet dat niet zijn maar ook niet minder want binnen een
paar uur heb ik weer honger.
De Elzas
De weg is golvend
maar nooit lastig en ik kan ook een stukje langs een kanaal. Er blijkt een
fietsroute te zijn langs de kanalen die de Rijn met de Rhone
verbinden (een idee voor wie niet wil klimmen).
Tussen de
wijngaarden kan het al eens stevig omhoog gaan. Dat is maar goed ook anders
krijg ik zadelpijn van teveel in dezelfde houding te zitten.
Links van mij
liggen de Vogezen: een langgerekte groene rug met serieuze bulten. Ze lonken
als een Lorelei maar ik blijf eraf want ik moet
vanavond voor 19.00 uur in de jeugdherberg zijn. Toch moet ik in het laatste
stuk over een uitloper ervan en het wordt toch nog een kilometerslange klim.
Maar het gaat goed en het is er prachtig. Langs het parcours staan eeuwenoude
burchten en kastelen. Klimmen is een fysieke totaalervaring: het wiegen op het
stuur, evenwichtig trekken en duwen op de pedalen, ademhaling op hetzelfde
ritme, alles in goede balans houden, kracht geven zonder geweld. Body and mind in perfecte balans. Het is een soort dans, een mantra.
Er is geen
verkeer, behalve een koppel verdwaalde Nederlanders. In de afdaling laat ik mij
als een vogel naar beneden glijden. De weg is smal maar goed aangelegd. Ik kom
aan de grote weg naar Phalsbourg maar kan
onmiddellijk op het jaagpad langs het kanaal. Dat is goed om nog eens stevig
tempo te halen. Het kanaal wemelt van jachten met sjiek volk.
Phalsbourg geeft je als reiziger een verwarrende
indruk: Enerzijds de vernieuwde en uitgedoste gebouwen van winkels en banken
maar daarrond een oude,
verwaarloosde stad met grijze, aftandse huizen die niet goed onderhouden
worden. Buiten het marktplein staat een afgedankte kazerne die op een
geïmproviseerde manier tot apartementencomplex
omgedoopt is. In de dakramen zit geen glas, de verf bladert af. Oude vergane
glorie, dat is duidelijk. Dit was ooit een uitgelezen garnizoenstad: in menige
opschriften worden de alhier gekweekte generaals en
veldheren geëerd. Ik heb 145 km op de teller en het is 18.45 uur. Goed op tijd
dus.
Het begint te
regenen en op weg naar de jeugdherberg kan ik even mijn ogen niet geloven. Er
komt een wagen met huif voor de voerman, getrokken door twee paarden,
aangereden. Twee mannen zijn bezig de vuilniszakken in de wagen te gooien. Voor
zoiets moet je in Frankrijk zijn. De Elzas was mooi,
lieflijk, relatief rijk maar de streek waar ik morgen naar toe rijd, lijkt door
God en koning verlaten te zijn. Dat begint mij al door te dringen.
Vrijdag, La Lorraine
’s Morgens stel ik
vast dat de jeugdherberg maar 2 gasten had. 2 fietsers, een Duitser en ik.
Ontbijt om 8.00 uur en om 8.30 uur ben ik al weg. Het regent en waait – in de
verkeerde richting (schuin tegen).
La lorraine heeft waarschijnlijk mooie plekjes maar ik heb ze
niet gezien. De hele dag ben ik begaan met de betrachting me warm te houden –
vooral mijn handen kregen koud – en vooruitkomen zonder nat te worden. De wind
raast over de kilometerslange open ruimtes. Het landschap deint op en neer, op
10 km moet ik 100 keer schakelen. Soms loopt de weg door een bos en dat is een
verademing want dan moet ik niet zo schuin tegenwringen
tegen de wind. Ik heb geen keus: vanavond moet ik in Luxenburg
zijn.
In Munster staat
een kathedraal en dat was in de middeleeuwen een bisschoppelijke zetel. Niets
bijzonders denk je maar nu is Munster niet meer dan een klein dorpje, bijna een
gehucht. Op het pleintje naast de kathedraal heeft de boer zijn pikdorser geparkeerd en ook verder in de straat staat zijn alaam. De huisjes zijn versleten, er groeit hier en daar
hoog gras voor een poort.
Ik ga schuilen in
de kathedraal. Een bejaard koppel was mij voor en had de sleutel al bemachtigd.
Ik eet en drink en trek een nieuw onderlijfje aan om het warm te krijgen.
Striptease in de kathedraal maar niemand heeft het gezien. Buiten is het koud. Het gebouw staat
vanbinnen in de stellingen, er wordt dus toch naar gekeken. Ik lees op een
opschrift dat in Denver (Amerika) een exacte kopie van de kathedraal tussen de
wolkenkrabbers staat. Het is een stevig en groots bouwwerk met 2 kanjers van torens.
Een confrontatie
met vergane glorie, ten tweeden male.
Eten en droge
kleren, meer heeft een mens niet nodig om zich op te maken voor de verdere
tocht. Het regent nog af en toe en het waait nog verschrikkelijk maar ik heb
het niet meer zo koud (een goed onderlijveke!) en bij
de volgende regenbui kan ik voer inslaan in een Lidl
in Saint-Avold. Ik ga in de stad ook een warme thee
drinken.
Onderweg moet ik
nog eens van de fiets om te schuilen voor een onweer maar daarna klaart de
hemel wat open en blijft het bij dreigen als er wolken opzetten.
Ik eet brood met beleg,
bananen en een hele tablet chocola. Dat is pure brandstof, zeker als het koud
is heel effectief.
In regio’s waar er
wat nijverheid is zie je dorpjes die een beetje fleur hebben maar elders is het pure armoe en verwaarlozing.
Op de koop toe
denkt de overheid eraan om in die streek afval te storten – misschien wel
kernafval. Ik zie in een dorp het ene spandoek naast het andere hangen om
ertegen te protesteren. Maar wie heeft dat gezien?? Ik
wel maar daar zijn ze vet mee, ze hebben gewoon niks
te piepen.
Voor ik de Moezel
bereik moet ik nog een heuvelrug over. Mijn benen zijn verzuurd van het gevecht
tegen de wind en de route is voor geen meter plat geweest. Geef mij maar een
serieuze klim in plaats van die 100 korte, ambetante
hellingen. Maar niets houdt me tegen – ik zal opnieuw
op tijd in de jeugdherberg zijn. Om 18.40 en na 132 km sta ik samen met een
bende luidruchtige Duitsers aan het onthaal van een jeugdherberg die meer weg
heeft van een sjiek congrescentrum. Luxemburg, dat is rijkdom, dat zie je zo.
Van het ene uiterste in het andere. Ik kan er zelfs à la carte
souperen.
Zaterdag, Luxemburg-België
Ik sta om iets
over zessen op, leg mijn magnetisch kaart van de kamer
op de balie, graai een ontbijt bijeen en om 7 u zit ik al op de fiets. Ik wil om
10.45 de trein in Aarlen halen.
Ik vermijd de
hoofdstad en via fietsroutes rijd ik errond. Om
sneller te gaan neem ik de route national (daar ligt
ook een fietspad bij), recht naar Aarlen. Op 12 km ervandaan besef ik dat het
een kwestie van minuten gaat worden. Ik rijd de ziel uit mijn lijf maar net
voor Aarlen komt er nog een heuse klim. Ik moet schakelen, schakelen… en geraak
niet meer vooruit. De suikers zijn op, ik moet iets eten. Ik heb nog een
pistolet met beleg…
In het station
aangekomen zie ik de klok op 10.45 uur staan. De trein vertrekt binnen 1 minuut
– ik kan hem niet meer halen. Dedju, dedju. Na een fietstocht van om en bij de
25 uur is een minuut niets meer dan een haartje op een luizekloot.
Le petitgris van de
Folky Towers